Het veiligheidscomplex

 

Gepubliceerd in: Openbaar Bestuur. Tijdschrift voor beleid, organisatie & politiek, nr. 3, 2011, p. 24.

Marc Schuilenburg

 

Jan Terpstra is hoogleraar criminologie aan de Radbout Universiteit en heeft met ‘Het veiligheidscomplex’ een boek geschreven over de wijze waarop het veiligheidsvraagstuk wordt bestuurd. Daarbij heeft hij zich tot doel gesteld te onderzoeken hoe in de afgelopen 25 jaar een nieuwe verantwoordelijkheidsverdeling is ontstaan op het gebied van veiligheid. Had dit boek dus niet 25 jaar geleden geschreven kunnen worden? Het antwoord is ‘nee’. Iemand die zich in 1985 over hetzelfde onderwerp had gebogen, zou ongetwijfeld de titel ‘Het criminaliteitscomplex’ hebben gebruikt. Maar, zoals Terpstra laat zien, de aandacht voor criminaliteit (en de strafrechtelijke handhaving door de politie) heeft plaatsgemaakt voor de veel omvattende zorg voor veiligheid. Die zorg voor veiligheid is geen exclusieve zorg voor de overheid. Het is een gedeelde zorg omdat ook andere partijen dan de politie er een steentje aan bijdragen. Het gevolg hiervan is dat het klassieke onderscheid ‘publiek-privaat’ steeds verder lijkt te vervagen en plaatsmaakt voor, wat met een deftig woord wordt genoemd, ‘hybride verbanden’ waarin de betrokkenheid en verantwoordelijkheid van de deelnemende partijen opnieuw worden uitgevonden, geformuleerd en gelegitimeerd. Zo bespreekt Terpstra in verschillende hoofdstukken hoe partijen als het bedrijfsleven, burgers, gemeente en private beveiligers deelnemen aan nieuwe domeinen en vormen van controle en welke mogelijkheden en knelpunten dit oplevert. Interessant aan deze ontwikkelingen is, zo schrijft Terpstra, dat ze gepaard gaan met allerlei tegenstrijdigheden en spanningen. Zo wordt van de overheid steeds meer verwacht in de aanpak van onveiligheid, terwijl ze tegelijkertijd probeert andere partijen verantwoordelijk hiervoor te maken. En tegenover de inzet van meer preventieve middelen om het criminaliteitsprobleem aan te pakken gebaseerd op het besef dat het klassieke strafrecht met zijn nadruk op opsporing en bestraffing hierin tekort schiet, staat een roep om een meer repressieve, harde aanpak van de veiligheidsproblematiek. In ‘Het veiligheidscomplex’ overtuigen vooral de delen die deze opvallende paradoxen thematiseren. Zo laat Terpstra in het hoofdstuk ‘Naar een bedrijfsmatige politie’ zien dat enerzijds de bevolking steeds meer verwacht en eist van de politie en anderzijds er sprake is van een verlies aan gezag en legitimiteit van de politie. Dit leidt tot relevante vragen en inzichten met betrekking tot de legitimiteit van de overheid in het veranderde veiligheidslandschap. Niet in alle hoofdstukken slaagt Terpstra er echter in deze thematiek even goed uit te werken. Zo sluit hij in het laatste hoofdstuk aan bij de klassieke opvatting dat de veiligheidszorg een publiek goed behoort te zijn. Een dergelijke stellingname zou op een normatief niveau wel kunnen overtuigen, maar komt merkwaardig over na eerst 8 hoofdstukken te hebben besteed aan een onderbouwing dat publiek en privaat niet meer om elkaar heen kunnen. Dat laat onverlet dat de hoofdstukken in ‘Het veiligheidscomplex’ getuigen van een wetenschappelijke ernst die een geïnteresseerde lezer de nodige achtergrond verschaft in het complexe en pluriforme karakter van de veiligheidszorg. Wordt er op universiteiten onderwijs gegeven over dit onderwerp, dan kan dit boek een welkome aanvulling zijn.

 

J. Terpstra, Het veiligheidscomplex. Ontwikkelingen, strategieën en verantwoordelijkheden in de veiligheidszorg. Den Haag: Boom Juridische uitgevers, 2010. ISBN 9789089742803.

Top