Het speelkwartier van het postmodernisme is over Ethiek bij Alain Badiou

 

Gepubliceerd in: Gonzo (circus), nr. 70 (Leuven, 2005).

 

Alain Badiou,
De Ethiek: Essay over het besef van het Kwaad,
Utrecht: Uitgeverij IJzer, 2005.
Michel Foucault,
Breekbare Vrijheid: Teksten & interviews,
Amsterdam: Boom/Parrèsia, 2004.

 

Marc Schuilenburg

 

Doordat hij zich met enige regelmaat in publieke discussies als het verbod op het dragen van hoofddoekjes en het lot van illegale vluchtelingen (‘sans papiers’) mengt, is de Franse filosoof Alain Badiou (1937) in ons taalgebied in kleine kring bekend geraakt. Maar belangrijker dan zijn politiek-militante opvattingen waarin hij zich keert tegen de perverse effecten van het westerse kapitalisme, is zijn academische werk. Dat laat zich lezen als een filosofisch onderzoek naar ‘universele waarheden’. In meerdere opzichten is dit opvallend. In het bijzonder omdat het breekt met de uitgangspunten van zijn ’68 generatiegenoten. Het is weer tijd voor een Groot Verhaal, aldus Badiou.

Tegen het ‘einde van de Grote Verhalen’ (François Lyotard) en ‘de dood van de Mens’ (Michel Foucault) in pleit Badiou voor een bijzondere vorm van ‘universalisme’ en de grondvesting van de mens. Hij onderscheidt vier domeinen – politiek, wetenschap, liefde en kunst – waarbinnen zich verschillende evenementen voordoen: de Franse revolutie van 1792, Galileo’s ontwerp van de fysica, het twaalftonenstelsel van Schönberg, etc. Deze evenementen ontwrichten een gegeven situatie, doorbreken bestaande opvattingen, en leiden tot een andere waarheid. Aan de hand van deze evenementen wil Badiou de mens en de waarheid opnieuw positioneren. De mens, of in filosofische termen het subject, is voor hem dan de ‘drager’ van een onvoorwaardelijk trouw aan het evenement. De waarheid uit zich door trouw te zijn aan zo’n evenement.
Zijn poging een allesomvattende filosofie te ontwerpen heeft er toe bijgedragen dat hij lang in de schaduw is blijven staan van die andere Franse filosofen, Lyotard, Derrida, Deleuze, Foucault. Terecht komt daar verandering in. Terwijl vorig jaar het Belgische tijdschrift Yang een uitstekend themanummer aan zijn denken wijdde, is nu zijn meest toegankelijke werk, ‘De Ethiek’ (1993), in het Nederlands vertaald. Dat Badiou als enige van zijn generatie nog in leven is, speelt daarbij ongetwijfeld een rol. Maar dat zijn filosofie, en dan met name ‘L’Être et l’Événement (1988) en ‘Manifeste pour la philosophie (1989), voldoende zeggingskracht heeft, bewijst wel het feit dat iemand als Slavoj Zizek er veel inspiratie uitput. In ‘De Ethiek’ keren zijn vaste thema’s terug: zijn, subject, waarheid en evenement. In scherpe bewoordingen keert hij zich tegen de doctrine van de mensenrechten, het slachtofferisme, de ethiek van verschillen en het cultureel relativisme van ‘anything goes’. Dat zijn maatschappelijke varianten van de gevestigde ‘westerse’ orde en gaan uit van een mens die samenvalt met “de identiteit van een rijk, maar overduidelijk ondergaand Avondland”. Badiou pleit voor een ethiek waarin de mens niet als een slachtoffer wordt beschouwd, maar waarvan het maxime is afgeleid van de vorming van waarheden. Voor hem wordt een mens pas een mens doordat hij trouw blijft aan het evenement waardoor hij wordt gegrepen.
Terwijl Badiou pretendeert te breken met het postmodernisme vertoont zijn denken toch verschillende raakvlakken met dan van zijn illustere generatiegenoten. Door het accent op de vorming van het subject in een waarheidsproces leunt hij bij voorbeeld sterk tegen het denken van Michel Foucault aan. Ook Foucault heeft in zijn studies naar de kliniek en de gevangenis, weliswaar vanuit een volkomen ander richting, de wijze onderzocht waarop onze zelfervaring wordt gevormd door verschillende waarheidsspelen. Dat blijkt nog eens te meer uit de bundel ‘Breekbare vrijheid’ waarin teksten en interviews van Foucault zijn verzameld. Hij stelt altijd bezig te zijn geweest met “hoe het menselijk subject in waarheidsspelen wordt ingevoegd, of het nu om wetenschappelijke waarheidsspelen gaat of om waarheidsspelen zoals men ze in instituties en toezichtspraktijken aantreft.” De bundel poogt een overzicht te bieden van Foucault’s denkgang vanaf zijn vroege werk. Omdat een analyse van Foucault’s denkontwikkeling aantoont dat zijn werk grote breuklijnen vertoont, heeft zo’n ambitie weinig kans van slagen. Daar in het werk van Foucault moeilijk kan worden gesproken van een centrale thematiek is de eenheid in de bundel ver te zoeken. Zo is naast het denken van het Buiten bij Maurice Blanchot het artikel ‘Nietzsche, de genealogie, de geschiedschrijving’ waarin hij het gebruik van het woord oorsprong analyseert, opgenomen. Bovendien zijn alle interviews en artikelen reeds eerder in het Nederlands verschenen. Weinig nieuws dus onder de zon. Dat is een gemiste kans omdat de latere Foucault het concept van biomacht - een vorm van macht die het sociale leven van binnenuit reguleert - introduceert, waar niet alleen Badiou in ‘De Ethiek’ naar verwijst (“de bio-ethiek en staatsobsessie met euthanasie”), maar dat ook overtuigend is opgepakt door filosofen als Agamben (‘Homo sacer’) en Hardt & Negri (‘Empire’ en ‘Multitude’). Niet alleen zal een bundel over de ethiek en biomacht bij Foucault onze actualiteit beter plaatsen, hij zou ook meer licht werpen op het werk van Alain Badiou, één van de belangrijkste denkers van de hedendaagse filosofie.

Top