Close Reading New Media. Analyzing Electronic Literature

 

Gepubliceerd in: Gonzo (circus), nr. 63 (Leuven, 2004).

 

Close Reading New Media. Analyzing Electronic Literature
red. Jan van Looy en Jan Baetens
Leuven University Press, 2003
ISBN 9058673235, 185 pag.

 

Marc Schuilenburg

 

Plaats het woord elektronisch voor een willekeurig medium en dat medium bevindt zich plotseling in een uiterst dynamische omgeving. Zo ook met elektronische literatuur als een hypertekst waarin de lezer een actieve deelnemer wordt door te klikken op links met als gevolg dat het verhaal een drastische wijzing neemt. In ‘Close Reading New Media’ zijn negen artikelen verzameld die inzicht bieden in de vraag op welke wijze elektronische teksten worden gelezen. De artikelen gaan in op de verhouding tussen het verhalende aspect van een tekst en een hypertekstuele structuur en de rol van de schrijver die met zijn elektronische hulpmiddelen meer mogelijkheden zou hebben om de betekenis van de tekst te beheersen. In het onderhoudende artikel ‘Underground Lies: Revisiting Narative in Hyperfiction’ analyseren Richard Saint-Gelais en René Audet daartoe twee bekende hyperficties, de roman 253 van Geoff Ryman en Rick Pryll’s Lies. In 253 verwijst het getal naar het aantal personen dat zich op de Bakerloo metrolijn in Londen bevindt (7 wagons met 36 passagiers en één bestuurder). Iedere passagier wordt in één pagina van 253 woorden beschreven. De links op de pagina’s leiden van het ene karakter naar het andere. Saint-Gelais en Audet duiden deze links als ontmoetingplaatsen. Maar, ofschoon Ryman 253 een roman noemt, komen Saint-Gelais en Audet niet verder dan de conclusie dat dit een uitnodiging is om de potenties van een roman te ontdekken vanuit een perspectief dat niet is beperkt tot een verhalende verteltrant. Dat is erg mager. Het gevaar van deze benadering is dat de analogie met ‘close reading’ van een roman uit uw boekenkast voor de hand ligt. De Franse filosoof die dat al heel zijn leven doet, Jacques Derrida, stelt in Parages (1986) dat hij de verhalen van Maurice Blanchot “zonder een van tevoren uitgestippelde route volgt, hier en daar een woord onderstreept, een passage, een moment en een beweging”. En, zo merkt Derrida op, een andere keer zou hij andere passages hebben onderstreept. Veel artikelen in ‘Close Reading New Media’ komen dit euvel niet te boven en geraken niet verder dan de conclusie dat elektronische literatuur duidelijk maakt dat er geen exclusieve toegang tot een tekst bestaat. Daarmee wordt een interessanter probleem, namelijk de vraag of in elektronische literatuur een andere betrokkenheid dan in literatuur tot uitdrukking komt, niet geduid. Weliswaar stelt Jan van Looy, in het uiterst leesbare ‘One Must Be Calm and Laugh’, dat de hypertekst een uitstekend gereedschap zou zijn om het lezersgedrag te onderzoeken en het methodisch onderzoek te verstevigen, maar hij werkt deze opmerking niet verder uit. In het artikel ‘Sutured Fragments’ gaat Elizabeth Jones wel op deze bijzondere betrokkenheid die doorwerkt op de lezer in. Zij beschrijft hoe Shelley Jackson in Patchwork Girl de kaart gebruikt als een metafoor voor het lichaam en als een analogie van de imprint van culturele structuren op de zelfervaring van een individu. Zij laat zien dat ook de identiteit van de lezer door het lezen van een hypertekst uit elkaar valt. Het is prijzenwaardig dat de auteurs in ‘Close Reading New Media’ niet in de val trappen dat elektronische literatuur wordt beschreven vanuit het perspectief van een democratisch vertoog dat de lezer oneindig veel mogelijkheden biedt een eigen verhaal te construeren. Dat zou een te optimistische conclusie zijn. Het is wel spijtig dat de artikelen in ‘Close Reading New Media’ onvoldoende ingaan op die andere betrokkenheid van elektronische literatuur en de rol die beelden en muziek daarbij spelen. Nu blijven deze (hulp)middelen volledig buiten beeld en blijft het onbepaald op welke wijze die betrokkenheid zou kunnen worden begrepen.

 

Elektronische literatuur:
www.ryman-novel.com (253)

Top