The Bug

Beats, bommen, bassen en granaten

 

Gepubliceerd in: Gonzo (circus), nr. 62 (Leuven, 2004).

 

Alex de Jong en Marc Schuilenburg

 

Het kale podium van Waterfront in Rotterdam biedt een fascinerend aanzicht. The Bug (Kevin Martin de man achter Techno Animal, Ice en God) staat gekleed in een dikke trenchcoat met een bont omrandde capuchon verscholen achter een soundsyteem en draait materiaal van zijn op Aphex Twin’s label Rephlex verschenen album ‘Pressure’. In zijn beats & bassen oorlog lopen de uiteenlopende snelheden van nummers van Black Sabbath, Bad Company (‘Mo’Fire’) en Dizzy Rascal (‘I Luv U’) moeiteloos in elkaar over. Aan de basis van deze guerrilla staan vuige dancehall ritmes en diepe baslijnen. Martin’s ‘bug’ lijkt nog het meest op de ‘Jes Grew’ die Ishmael Reed beschrijft in zijn boek ‘Mumbo Jumbo’: een epidemie die zich door het sonische bereik verspreidt. Voor de opname van ‘Pressure’ nodigde Martin gastvocalisten met stripnamen als Daddy Freddy, Toastie Taylor, Tikiman en Wayne Lonesome in de studio uit om een dubversief omniversum waarin “vervormde ragga zware elektronische dub ontmoet” op te nemen. De titel van het album moet letterlijk worden begrepen. Alles draait voor Martin maar om één ding: energie.

 

Een geluidsstrijd

The Bug werd in het leven geroepen naar aanleiding van de eigen interpretatie van Francis Ford Coppola´s paranoïde bewakingsfilm ´The Conversation´. De Jamaicaanse soundsystemen boden daarbij een bron van inspiratie. Een soundsysteem staat letterlijk voor een geluidssysteem. In de jaren vijftig ontstonden in Jamaica verschillende systemen die in de ontwikkeling van de reggae een centrale rol speelden. Ieder systeem – een platenspeler, versterker en luidsprekers – kent een eigen muziekstijl in de vorm van deejays en toasters en aanhang. Het biedt de ideale vorm om te interveniëren in de publieke ruimte: op iedere locatie zoals een vrachtwagen, bus of straathoek kan zonder een band een feestje worden gebouwd. “Toch maak ik geen zwarte muziek. Ik denk niet in termen van kleur, cultureel gezien dan”, stelt Martin onomwonden. “Ik woonde in een strandressort in het Zuidwesten van Engeland. Mijn vader was Iers en mijn moeder Schots. Het klinkt raar, maar zwarte mensen heb ik in mijn jeugd nooit gezien. Eigenlijk was er geen enkele reden om ragga te maken. Waarom zou alles een betekenis moeten hebben? Ik woon nu vijftien jaar in Londen. In mijn wijk, een indo-aziatische gemeenschap, ben ik de enige blanke en dat werkt stimulerend. Ik ben een product van dat Londen, van de stad waarin zoveel culturele botsingen zijn. In harmonie geloof ik niet. Van geweld moet ik ook niets hebben, wel van de vonken en van de impact van die botsingen. De verhuizing naar Londen, de stad die symbool staat voor de aanwezigheid van allerlei soundsystemen, heeft een enorme uitwerking op de ontwikkeling van mijn muziek gehad. Ik raakte in Londen in een geluidsstrijd. Het voelde alsof ik in het midden van een sonische storm, een wervelwind, die teruggaat op dub terecht was gekomen. Die draaikolk had elementen van totale chaos in zich. De baslijnen van de geluidssystemen waren zo sexy dat de organen in mijn lichaam letterlijk bewogen. Alles was zo inspirerend.”

 

Ragga’s overdrive

Door de opkomst van de computer en digitale opnametechnieken worden in de jaren tachtig muzikanten steeds meer overbodig. Op Jamaica leidt deze verandering tot een massaproductie en een nieuwe vorm van dansmuziek: ragga. Ragga combineert elektronische instrumenten zoals de computer, mengtafel en de synthesizer met zang. Bekende namen van dat genre zijn Shaggy, Shabba Ranks en Buju Banton. Volgens Martin ligt ragga ver voor op elektronische muziek. “Critici verwijzen nog steeds naar de jaren zeventig op Jamaica toen mensen als King Tubby, Lee Perry en Mad Professor dub muziek maakten die bedoeld was om er op de geluidssystemen overheen te toasten. Maar ook nu worden inspirerende geluiden gemaakt. Elektronische muziek brengt ragga dan ook niet verder, juist niet. Veel elektronische muziek klinkt in mijn oren veilig. Ragga is energieker, vitaler, frisser. Met het project The Bug had ik maar één doel: muziek maken die goed zou klinken op een geluidssysteem. Het moest om de bas en minder om de noise gaan. Ik houd van de overdrive, het gevoel van druk. Op een geluidssysteem zoek ik die grens op. Tijdens verschillende shows is dat te ver gegaan. Optredens waarbij het wel lukte zorgde voor enorm veel adrenaline, de meest poëtische drug die er is. Maar het is moeilijk om als artiest steeds te pieken. Het optreden in Berlijn is een prachtig voorbeeld waarbij een gevoel van gekheid, de mensen werden spastisch, ontstond. We speelden achterin een Turks café waarin maar 80 tot 100 personen mochten. In werkelijkheid waren er 250 mensen binnen. De politie kwam drie keer langs, met de vierde keer moesten we de set afbreken.

 

Geweldloosheid

Naast het spelen voor God vormde Kevin Martin met Justin Broadrick Techno Animal. Dat beest was een biomechanoïde die zich uitleefde in digitale hardcore en vertraagde industriële dub. Tijdens hun optredens stond het volume zo hard dat het publiek op een veilige afstand bleef. “In de tijd van God en Techno Animal was ik alleen geïnteresseerd in noise. Met geluid ging ik op een sadistische manier om, het draaide om ‘de herrie om de herrie’. Alles stond in het teken van een sadomasochistisch geluid dat over straffen (punishment) ging. Met The Bug hoop ik een sensueel geluid te ontwikkelen waarin het om genot (pleasure) gaat”, zegt Martin. Voor hem kan zijn muziek het beste worden beschreven in termen van intensiteiten, pure verschillen die niet in zichzelf kunnen worden gevonden. “Ik houd van het gevoel dat iemand me steeds schopt.” Martin probeert die spanningen steeds te creëren. Daarin ligt voor hem de taak van zijn muziek: het creëren van een lichaam, van een omniversum. Is de geluidsgolf de meest doordringende intensiteit voor The Bug? “Straffen staat nu niet meer in mijn muziek voorop. Ik wil mensen in mijn energie betrekken en niet van me afstoten. Het liefst sta ik dan ook op de dansvloer zonder een podium. Ik wil de ‘vibe’ voelen die er tussen de mensen ontstaat als ik draai. Goede dub gaat om dat ‘lichaam en geest-effect’. ‘Pressure’ moest daarom een eclectisch album, zowel poëtisch en dancehall als sensueel en meditatief, worden. De sleutel was de keuze voor de vocalisten. Hoewel ze uiteindelijk mijn ding is, is The Bug dan ook in de eerste plaats een collectief waarin mensen als Warrior Queen en RAS B van Adrian Sheerwood's ON-U Sound centraal staan. Zij zijn voor mij hardcore”, beweert Martin. Er is voor hem geen groter compliment mogelijk. “Hardcore betekent dat muziek om de juiste redenen, uit eerlijkheid, wordt gemaakt door mensen die bezig zijn een eigen geluid te creëren. Ik wil zien hoe die hardcore zich ontwikkelt in verschillende genres. Nu staat opeens urban music in het spotlicht. Ik maak urbane muziek omdat ze staat voor de chaos van Londen. Ik haat de term urban zoals ze wordt gebruikt op MTV en in reclame. Ik noem dat de ghettorisering van muziek. Ze verwijst alleen naar zwarte muziek. Blanken verdienen er geld mee, zoals met Dizzy Rascal die eigenlijk `too hot to handle´ is voor de muziekindustrie. Hij is een product van een urbaan leven, maar zoals de term nu wordt gebruikt is het slechts voor de verkoop: Urban Sells.”

Top