Hans Kombrink

“Ik voelde me aanvoerder van een protestgeneratie”

 

Gepubliceerd in: Pluche, nr. 7 (Amsterdam, 2004).

Marc Schuilenburg

 

De verleiding is er niet meer. Na acht jaar wethouderschap en twee jaar in de banken van de gemeenteraad heeft Hans Kombrink (Steenwijk, 1946) afscheid van de Rotterdamse politiek genomen. Hij blijft wel met zijn levenspartner Lida Iburg (programmamaakster bij de VPRO-radio) in het statige pand aan de Mathenesserlaan wonen. De woning ligt in het Nieuwe Westen van Rotterdam en staat vol met beelden, maskers en snuisterijen uit de Derde Wereld. Aan de muur hangen litho’s van Klaas Gubbels en Lucebert. Volgens de jaarlijkse Veiligheidsindex van de gemeente is Rotterdam veiliger geworden. De criminaliteit is gedaald, de bewoners zijn zich veiliger gaan voelen en het aantal onveilige wijken is omlaaggegaan. In 2002 kreeg de veiligheid nog het cijfer 5,6. In 2003 is het een 6,2 geworden. Dat geldt niet voor de buurt van Kombrink. Met het cijfer 4,6 krijgt dat deel van de stad van de bewoners nog steeds het predikaat problematisch. Tussen een paar slokken koffie door, vertelt Kombrink: “Ik heb iemand aan de lijn gehad voor die enquête en kreeg verschillende vragen. In mijn beleving is er niet veel veranderd. Het was voor mijn gevoel niet slecht gesteld met de veiligheid. Ik heb absoluut geen subjectief gevoel van onveiligheid en objectief is mij nooit iets overkomen. Er is wel eens een autoruit ingetikt, maar sinds we het frontje van de autoradio eraf halen hebben we nergens meer last van. Mijn irritatiepunt is het dubbel parkeren waardoor de tram er niet meer door kan. Maar ook stoppen om lekker te kleppen tegen een bestuurder in een andere auto of het hard door de stad scheuren, irriteert me. Verder erger ik me aan de vervuiling, hoewel daar ontegenzeggelijk meer tegen wordt gedaan. Hier voor de deur is het af en toe echt nog een teringzooi.”

 

De kaalslag van wijken

Kombrink woont sinds 1973 in Rotterdam. Hij ervaart de zeventiger jaren als een roerige tijd waarin veel gebeurde. Kombrink meldt: “Ik was in 1971 lid van het partijbestuur van de PvdA geworden en kreeg Rotterdam in mijn portefeuille. Dat betekende dat ik geregeld in Rotterdam was. In die tijd speelde de kwestie rondom de aanpak van het Oude Westen. Er waren plannen om tot kaalslag te komen. De buurt kwam daartegen massaal in opstand en richtte een actiegroep op om de buurt te behouden. Ik was tegen die kaalslag omdat ze de hele structuur van zo’n wijk vernietigde. Alles draaide om de vraag: ‘Voor wie bouw je?’ Dat leidde tot een scherp conflict in de fractie van de PvdA tussen de jonge garde met mensen als Jan Riezenkamp en de oude garde over de vraag hoe de stadsvernieuwing moest worden aangepakt. Een commissie onder leiding van André van der Louw heeft daarin toen bemiddeld. Dat rapport heeft geleid tot het vertrek van de toenmalig wethouder.”
In 1972 viel het kabinet Biesheuvel. Als jong lid van de PvdA trok Kombrink de wijken in om, zoals Wouter Bos dat nu predikt, contact te leggen met de mensen. “Ik stond in Rotterdam en in Amsterdam op de vierde plek van de verkiezingslijst. Rotterdam kreeg vier zetels, Amsterdam bleef hangen op drie. Ik ben toen in Rotterdam gekozen. De stad wilde zo’n jonge hond als ik hebben,” zegt hij. In die tijd speelde de sociale kwestie in Rotterdam een grote rol. “In de Afrikaanderbuurt was er een rel met een Turkse familie. Er kwamen vreemde mensen in de straat wonen en dat leidde tot andere muziek en ander gedrag. Overigens had dat met een Nederlands asociaal gezin ook kunnen gebeuren. Maar in de media kreeg het de lading van een etnische spanning. Op Katendrecht was er een bewonersgroep opgericht. Bij de bestuursleden kwamen de kogels naar binnen. Dat betrof de onderwereld die zich bezig hield met de prostitutie. Deze incidenten zorgden voor veel beroering in de stad. Bovendien ging in de haven de werkgelegenheid achteruit. Dat leidde tot veel stakingen en demonstraties waarbij de burgermeester moest ingrijpen. In die tijd ging ik veel de wijken in om zo goed als mogelijk op te pikken wat er gebeurde. Dat gebeurde als een reactie op een periode waarin dat niet meer zoveel werd georganiseerd. Het leek sterk op wat de SP nu doet.”

 

Authentiek blijven

Hij was van 1972 tot 1990 lid van de Tweede Kamer, met een onderbreking van een jaar als staatssecretaris van Financiën in het kabinet Van Agt II. Kombrink zegt: “Toen ik de Kamer inging, wilde ik niet tot die grijzen pakken behoren. Ik wilde me niet conformeren. Ik wilde afwijkend gedrag vertonen, authentiek blijven. Ik voelde me aanvoerder van een protestgeneratie. Vietnam speelde een grote rol, maar ook verschillende derde wereldvraagstukken. In Amsterdam was ik voorzitter van een politiek café waarin op drie avonden in de week discussies met kamerleden werden gevoerd. Binnen de kamerfractie ben ik altijd een redelijk eigenzinnig persoon gebleven. Zo was ik tegen het tweede kabinet Den Uyl dat in 1977 zou beginnen. Ongemerkt verander je natuurlijk in de loop van de tijd. Je doet gaandeweg meer ervaring op. Krijgt meer verantwoordelijkheden te dragen. Wat op mij een groot effect heeft gehad was de sterke vermindering van de economische groei en al helemaal de crisis aan het begin van de jaren tachtig. Je realiseert je dan dat het geen automatisme is dat er jaarlijks meer geld te verdelen is met veel leuke dingen voor de mensen. Ik werd in 1979 op verzoek van Den Uyl financieel woordvoerder net op het moment dat het economisch bergafwaarts ging. De periode van ‘het kan niet op’ was over.”
Voordat Kombrink in 1994 met Hans Simons wethouder in Rotterdam wordt, was hij vier jaar Directeur-Generaal Economie en Financiën op het ministerie van Defensie. In die tijd speelde de vraag of de dienstplicht moest worden gehandhaafd. Kombrink was voor afschaffing, mede gelet op de verandering van de organisatie van de Defensie. Hij was verbaasd toen partijgenoot Relus ter Beek hem vroeg bij het ministerie te komen en herinnert zich de ironie nog. “Ik had geen dienstplicht gehad. Bovendien was de eerste wet die ik in de Kamer behandelde de Wet Gewetensbezwaren.” De muur in Berlijn was net gevallen. Eén ding was duidelijk, zegt Kombrink, bij Defensie moest heel veel veranderen. “Ik heb ja gezegd vanuit de overtuiging dat het een stevige knokpartij met de gevestigde krachten in de militaire wereld zou worden. Ik heb meegemaakt dat militairen niet het beleid van de minister voorbereidden. Ze weigerden zijn beslissingen uit te voeren, ze onderhandelden met hem. Een goed voorbeeld was de omvang van de bezuinigingen. Er was een gespannen verhouding met de chef defensiestaf. Ik was de financiële man. Het ging om de vraag of er een bezuinigingsscenario op tafel kon komen van min drie procent. Dat was onverantwoord volgens sommige ambtenaren van Defensie. Er werd geweigerd een opdracht van de minister uit te voeren.” Tijdens zijn directeurschap werd Ter Beek ziek en Jan Pronk nam zijn portefeuille over. “Ik heb toen ook een keer gezegd tegen Pronk gezegd en waar anderen bij waren: ‘Uw opdracht wordt niet uitgevoerd. Er wordt hier iets geblokkeerd.’ Uiteindelijk bracht ik het financiële scenario op tafel.” Kombrink ziet nog wel toekomst voor het ministerie van Defensie. Dat in tegenstelling tot het ministerie van Landbouw. “Ik zou de ministeries van Landbouw en Economische Zaken bij elkaar voegen zodat er een Economisch Ministerie ontstaat. Landbouw en visserij vormen een onderdeel van onze totale economie. Ik zie geen redenen meer om die sectoren apart te behandelen.” In de huiskamer gaat de telefoon en terwijl Kombrink aanstalten maakt hem op te nemen, mijmert hij: “Soms zou je willen dat die dienstplicht er nog was. In de disciplinering van gedrag kan ze bij sommige jongeren in de puberteitsfase wel wat doen. Maar sociale dienstplicht, neen, ik heb altijd gevonden dat de dienstplicht niet op iedereen moet worden losgelaten.”

 

De grote projecten

Kombrink’s vrienden en vijanden in Rotterdam zijn het over één ding eens; zijn bijdrage aan de stad als wethouder Ruimtelijke Ordening en Grondzaken is groot. Tijdens zijn twee ambtstermijnen veranderde het gezicht van de stad radicaal. De Erasmusbrug werd de blikvanger van de stad, de Kop van Zuid kwam tot stand en projecten als het Nieuwe Luxor en de renovatie van de Witte de Withstraat tot culturele as van Rotterdam werden gerealiseerd. Daarnaast zorgde de Culturele Hoofdstad van Rotterdam 2001 voor vele nieuwe impulsen in de kunsten. “Ik heb me altijd aangetrokken gevoeld tot sectoren waarbij het om concrete effecten op mensen gaat. Neem als voorbeeld de volkshuisvestingsector. Door op een juiste manier uitgaven te doen, kan je de omstandigheden waarin mensen leven en wonen beïnvloeden en hopelijk verbeteren.” Kombrink wilde van Rotterdam meer maken dan een havenstad. Ze moest een culturele stad worden. Hij ging daar heel ver in. “Het Luxortheater is geheel onder mijn bewind tot stand gekomen, de Erasmusbrug niet. Die is onder mijn voorganger Joop Linthorst bedacht. Ik heb wel de bouw van de brug meegemaakt, maar niet haar geboorte. Het Luxortheater is begonnen en afgemaakt in mijn periode. Het staat voor twee dingen. De soort Kop van Zuid die ik in Rotterdam wilde. Het gaat dan om een stedenbouwkundig vraagstuk, namelijk de soort wijk die aan die kant van de rivier tot stand moet komen. Dat raakte ook de locatiekeuze van het theater. In dat gebied moesten er niet alleen woningen en kantoren komen. Het diende ook een beetje leuk te worden. Het centrum moest dus over de rivier heen. In de tweede plaats staat het model voor al de inspanningen om de cultuur in Rotterdam op een steviger niveau te krijgen. Het budget voor cultuur is in de acht jaar dat ik die portefeuille bekleedde enorm omhoog gegaan. Het theater staat daarmee symbool voor Rotterdam als culturele hoofdstad.”

Kombrink riep nogal wat wrevel op tijdens zijn wethouderschap. Zijn partijgenoot Els Kuijper verzuchtte dat hij er niet in slaagde het beeld van een menselijk politicus neer te zetten. Volgens Manuel Kneepkens, raadslid van de Rotterdamse Stadspartij, leed Kombrink aan de PvdA-ziekte: ‘Wij weten wat goed voor u is.’ Kombrink weerspreekt het idee dat zijn manier van besturen past in een socialistische traditie waarin tot de verbeelding sprekende architectonische hoogstandjes worden gerealiseerd. “Ik ben ook voor tal van kleine projecten gegaan. Dus ik bestrijd het idee dat ik zoals de Franse president François Mitterand me alleen heb bezig gehouden met wat ze noemen ‘de Grands Traveaux’. De verbouwing van een theater in het Noorden van Rotterdam en die van Bonheur heb ik ook getrokken. Ik ben trots op het feit dat er bibliotheekfilialen in verschillende wijken zijn opgericht. Daarnaast heb ik meegeholpen aan privé-initiatieven zoals het verlenen van de bouwvergunning voor het Maastheater. Ik heb altijd een breed begrip van de attractieve stad gehanteerd, me altijd gericht op een divers terrein aan activiteiten. Voortdurend heb ik aansluiting gezocht bij de mensen in de wijken. Daarbij stond steeds de vraag centraal: ‘Klopt het woon- en leefklimaat in de stad?’

 

Multiculturele vraagstukken

De komende vijftien jaar neemt het aantal inwoners van niet-Nederlandse afkomst toe met 90.000. Rotterdam is de meest multiculturele stad van Nederland. Haar bevolking bestaat in 2017 voor 57 procent uit allochtonen. Drie van de vier Rotterdamse kinderen tot 14 jaar zijn tegen die tijd van allochtone afkomst. Het aanbod van cultuur voor deze groepen is de laatste jaren in Rotterdam niet groot geweest. “Ik vind dat het Luxortheater niet behoort tot het terrein van de hoge kunsten. Ik erken wel een probleem; er gaat geen neger naar toe. Maar het heeft wel het breedste publieksbereik van Rotterdam. Het zit dan ook dichter tegen de lage dan tegen de hoge cultuur aan. De Rotterdamse Schouwburg vind ik een voorbeeld van die hoge cultuur. Tot 1998 speelde de etnische kwestie in de kunst nog niet zo erg, ook niet in de gemeenteraad. Er waren weinig productie-initiatieven uit etnische kringen zelf. Gaandeweg veranderde dat, natuurlijk het eerst op het terrein van de muziek en wat daarmee direct samenhangt. Aan de Rotterdamse Kunststichting hebben we gevraagd de ontwikkeling in een rapport te belichten en het debat op gang te brengen. De programmering van bestaande instellingen, zoals De Doelen maar ook het Zuidpleintheater is aangepast. Maar het is teveel een openstaande kwestie gebleven. Het lastige was dat er twee vraagstukken door elkaar lopen, de etnische en de economische kwestie. Het gaat voor een groot deel over sociaal-economische problemen, zoals een lage opleiding. Dat vertaalt zich naar bepaalde interesses en maakt het lastig te definiëren of er een authentiek verschil in interesse is of dat het met een culturele invalshoek heeft te maken. Bovendien speelt de generatievraag zoals in de Hindoestaanse cultuur, een rol. Is er een culturele reden, of een sociaal-economische factor, of een generatievraag? Definieer maar eens een antwoord. Het enige antwoord dat beklijft, is dat er een differentiatie aan podia zal optreden. Er zullen meerdere kleine publieken komen.
Kombink valt stil als hij naar de gespannen verhouding met voormalig burgermeester Bram Peper wordt gevraagd. Hij wil daar niet veel over kwijt, zegt hij. “Er waren verschillende zakelijke conflicten tussen ons. We verschilden over fundamentele zaken van mening. Ik was kritisch over de komst van een stadsprovincie en had met name problemen met de opdeling van Rotterdam in meerdere gemeenten. Een derde termijn voor Peper vond ik niet nodig, twee termijnen voor een burgermeester zijn voldoende. Bovendien had ik moeite met de wijze waarop hij met mensen omging. Meer in detail wil ik daarover niet treden.” Hij heeft wel een opvatting over het voorstel van minister De Graaff om het kiesstelsel te hervormen. Dat deugt van geen kant, vindt hij. “Het huidige voorstel voor een gekozen burgemeester is een gedrocht. Er worden twee principes door elkaar gehaald, die van de personen- en die van de representatiedemocratie. Dat kan nooit goed gaan. Ik ben erg gevoelig voor populistische tendensen. Er moet ruimte zijn voor een lange termijn oriëntatie. Dat is bij voorbeeld nodig op een terrein als volkshuisvesting. Ik ben bang dat er voor die oriëntatie steeds minder ruimte komt.”

 

Toekomst

Het afscheid van Kombrink heeft tot weinig beroering in het politieke landschap geleid. Van burgermeester Opstelten krijgt Kombrink de Wolfert van Borselepenning voor zijn verdiensten voor Rotterdam uitgereikt. In zijn afscheidsspeech prijst Kombrink zich gelukkig dat hij ‘zich lange tijd heeft mogen inzetten voor de stad en regio’. Hij gaat zich nu op andere zaken richten. Hij wordt per 1 juli waarnemend burgemeester van de gemeente Zaanstad. “Daarnaast ga ik het voorzitterschap van de culturele organisatie Passionate bekleden. Verder ga ik me meer richten op het advieswerk. Op dit moment ben ik namens de provincie Zuid-Holland bezig met het begeleiden van de onderhandelingen met gemeentebesturen over het project Rijn-Gouwelijn. Mijn ervaringen met de verbouwing van het Rotterdams Centraal Station komen daarbij van pas. Het gaat namelijk om de vraag wie wat moet betalen in relatie tot nieuwe mogelijkheden op het gebied van bouwen.”

Top