Technologie en misdaad

Over de opkomst van een protocollaire samenleving

 

Gepubliceerd in: Flexmens, nr. 2.1, 2006, pp. 22-25.

 

Marc Schuilenburg

 

Inleiding

In de film Minority Report (2002) stuiten we op een vorm van criminaliteitsbestrijding die een perfect beeld geeft van wat we de kern van de huidige veiligheidspolitiek kunnen noemen. De film is gebaseerd op een kort verhaal van de sciencefiction schrijver Philip K. Dick dat in 1956 werd gepubliceerd in het magazine Fantastic Universe. In tegenstelling tot het werk van veel van zijn collega’s in de jaren 1950 en 1960 kenmerken zijn verhalen zich door een pessimistische toon en een diep wantrouwen tegen de autoriteiten. Voor een groot publiek wordt hij bekend door de verfilming van het verhaal ‘Do Androids Dream of Electric Sheep?’ (1968) met de film Blade Runner van regisseur Ridley Scott. Maar de definitieve erkenning als schrijver van visionaire verhalen volgt door de film Minority Report van Steven Spielberg.
Het toneel van Minority Report vormt de stad Washington D.C. in het jaar 2054. Al zes jaar vinden daar geen moorden meer plaats. De politie pakt moordenaars op voordat ze de misdaad hebben gepleegd. Ze maakt hiervoor gebruik van drie ‘pre-cogs’ die over de bijzondere gave beschikken dat ze toekomstige moorden kunnen zien. Tijdens hun ‘dromen’ produceren deze media voorspellingen. Het resultaat van die voorspellingen zijn twee glimmende houten balletjes waarin telkens een naam is gegraveerd: één van het slachtoffer en één van de dader. Op het moment dat de balletjes verschijnen, moeten de agenten van de PreCrime Unit verschillende protocollen te volgen. Het belangrijkste protocol houdt in dat de namen van het slachtoffer en de dader worden voorgelezen aan twee onafhankelijke ‘getuigen’ die alles op televisieschermen volgen: Chief Justice Frank Pollard en de arts Katherine James. Zij controleren of de voorgelezen namen dezelfde zijn als die op de twee ballen zijn gekerfd. Na hun goedkeuring gaan de agenten op basis van de aanwijzingen van de ‘pre-cogs’ naar de plaats van het delict om de moord te voorkomen.
Cruciaal in dit systeem van rechtshandhaving is de algemene veronderstelling met betrekking tot het gedrag van de toekomstige daders. Die veronderstelling is een uitdrukking van een mechanistische en lineaire opvatting van hun handelen. De daders hebben namelijk geen andere mogelijkheid dan het delict te plegen. De beelden van de voorspellingen van de ‘pre-cogs’, die niet toevallig zijn vernoemd naar drie beroemde misdaadauteurs Agatha Christie, Dashiell Hammett en Arthur Conan Doyle, tonen dat de bewuste moord of gewelddadige overval al plaatsvindt. In filosofische termen duidt dat erop dat het toekomstige gedrag van de daders vooraf ligt besloten in een nauwkeurig bepaalde mogelijkheid die zich onontkoombaar zal verwerkelijken. In dat mogelijke is hun gedrag dus al voorbestemd. Ik zou deze gedragsveronderstelling als Aristotelisch willen bestempelen.

 

De dynamiek van de risicomaatschappij

In welk opzicht zijn de thema’s van Minority Report relevant voor een analyse van de huidige criminaliteitsbestrijding? We hoeven dan alleen maar te verwijzen naar vroegtijdige waarschuwingssystemen als automatische detectie en patroonherkenningscamera’s die tot doel hebben de criminaliteit in de openbare ruimte te voorkomen. Geïnstrueerd met protocollen identificeren zij bepaalde personen al voordat zij een delict hebben gepleegd als mogelijke daders. Minority Report komt dus dichter in de buurt van onze dagelijkse werkelijkheid dan we aanvankelijk dachten. Toch roept de film verschillende dilemma’s op. Hoe veroordeel je een persoon voor een daad die hij niet heeft gepleegd? Hoe voorkom je dat er onjuiste voorspellingen worden gedaan? Om hier een antwoord op te geven, moeten we nader kijken naar de thematiek van de film. De sleutel tot de film ligt in de relatie tussen politiek en leven. Die relatie krijgt inhoud door een rechtshandhaving die iedere vorm van criminaliteit wil voorkomen. De maatschappij die daarmee samenhangt wordt een risicomaatschappij genoemd. Met dat begrip wordt de kwetsbaarheid van de samenleving en de daarmee samenhangende behoefte aan absolute veiligheid bedoeld. De term risicomaatschappij is afkomstig van de Duitse socioloog Ulrich Beck die constateert dat de technologische ontwikkeling een dusdanige vlucht heeft genomen dat zij haar eigen risico’s niet meer kan beheersen. Volgens Beck zullen sociale conflicten steeds minder gaan over de verdeling van welvaart en steeds meer over de verdeling van risico’s. Hij doelt daarbij op atomaire, chemische, ecologische en gentechnologische risico’s waarvan niet is te achterhalen wie ze heeft ingesteld. In de risicomaatschappij krijgen de pogingen om risico’s te reduceren of te vermijden daarom steeds verder de overhand. Naarmate de risico’s groter worden, zullen ook de personen die deze risico’s met zich meebrengen het lijdende onderwerp van aandacht worden. Op welke wijze kan de criminaliteitsbestrijding die tot stand komt door technologieën als automatische detectie en patroonherkenningscamera’s dan worden begrepen? Anders gezegd, wat is de relatie tussen politiek en leven, als het laatste iets is dat vorm krijgt in de interactie met agressiedetectoren en Computerised Face Recognition, die tot doel hebben alle handelingen van personen te voorkomen die een bedreiging kunnen vormen voor de veiligheid in de openbare ruimte?

 

De impasse van het veiligheidsdenken

Wat over ons heen hangt is een aura aan veiligheid die door informationele technologieën ten uitvoer wordt gebracht. Sinds het begin van de jaren negentig zijn in Engeland en de Verenigde Staten op grote schaal detectie en patroonherkenningscamera’s geplaatst die niet alleen tot doel hebben het gedrag van de individuen in de openbare ruimte te monitoren, maar ook worden gebruikt om dat gedrag tot op grote hoogte te ‘besturen’. De schaalvergroting van het gebruik van camera’s wordt voor het eerst duidelijk in Engeland waar in de jaren 1990 systemen als Closed Circuit Television (CCTV) gebieden als het metronet in Londen met een netwerk van duizenden camera’s bedekken. Dit systeem maakt het mogelijk alle handelingen op de stations in één oogopslag te overzien. CCTV wordt in 1998 opgevolgd door het programma Mandrake. Dit nieuwe systeem koppelt gezichten aan databanken met foto’s van recidivisten waardoor binnen zestig seconden 15 miljoen mensen kunnen worden vergeleken. Deze systemen gaan steeds verder in hun toepassing. In 2006 treedt in Chicago een systeem in werking van camera’s die de politie alarmeert als een persoon doelloos op straat rondjes loopt of te lang rondhangt bij een openbaar gebouw. Slenteren met je vriendin is dan definitief over. (1)
De nieuwste automatische bewakingssystemen alarmeren dus private of publieke veiligheidsinstanties op het moment dat bepaalde gezichten worden herkend of als gezichtsuitdrukkingen erop wijzen dat gewelddadig gedrag zich dreigt te manifesteren. De herkenning van gezichtsuitdrukkingen, en in dit geval het verbinden van toekomstige handelingen aan deze expressies, is essentieel voor het functioneren van deze media. Dit aspect zien we ook terug in Minority Report. Nadat de namen van de dader en het slachtoffer bekend zijn, moet hoofdpersoon John Anderton de losse beelden die door de hersenen van de ‘pre-cogs’ aan de computer worden doorgestuurd combineren om de plaats van het delict op te sporen. Om uit de veelheid van uitdrukkingen bepaalde handelingen af te leiden, is de integratie van informatie dus van essentieel belang. In de praktijk zien we dan ook dat belastingdiensten, ordehandhavers, supermarkten en ziekenhuizen in toenemende mate gegevens uitwisselen om hun kennis over het menselijk lichaam te vergroten. Als het ware wordt de menselijke samenhang ‘beheerd’ door dit identiteitsmanagement. Onze identiteit is dan niets meer dan een actueel knooppunt van elkaar snijdende informatiestromen.
Maar vanuit het perspectief van de film is het belangrijker dat aan media als agressiedetectoren een bepaald mensbeeld ten grondslag ligt. Expressies van het gezicht, spraak en andere bewegingen van het lichaam zijn indicatoren voor het gebruik van geweld of andere crimineel gedrag. In dat mensbeeld is ons handelen dus causaal bepaald.

 

De regels van de risicosamenleving

Hoe zetten de technologieën van videosurveillance ons in beweging? In de Verenigde Staten is identiteitsdiefstal één van de snelst groeiende vormen van criminaliteit, die jaarlijks rond de 700.000 slachtoffers eist. Wijst dat erop dat iedere vorm van controle zijn eigen verzet veroorzaakt? In ieder geval waarschuwen veel wetenschappers voor te positieve verwachtingen van de resultaten van videosurveillance. Afgezien dat er meer analysecapaciteit nodig is om alle informatie te beoordelen, blijft de technische haalbaarheid van automatische gezichtsherkenning en de detectie van gewelddadig gedrag nog op problemen stuiten. Hoewel specifieke kenmerken zoals de afstand tussen de ogen, tussen oor en oog, en tussen ogen en mondhoeken zijn te gebruiken voor gezichtsherkenning, zal door de vele variaties van onze gezichtsuitdrukkingen en lichaamshoudingen de onmiddellijke relatie tussen mogelijk en werkelijk gedrag nooit optimaal kunnen worden gelegd. Bovendien is er te weinig onderzoek verricht om te concluderen dat het uitgeoefende geweld afneemt door de invoering van camerabewaking. Misschien moeten we wel als hypothese stellen dat met een afname van de totale hoeveelheid geweld, de intensiteit van het uitgeoefende geweld drastisch toeneemt omdat criminelen er alles voor over hebben om hun doel te bereiken. Maar dat alles weerspreekt niet dat de technologische media in de openbare ruimte al daadwerkelijk hun effecten hebben. De verklaring hiervoor ligt in het normatieve karakter van de rechtshandhaving die steeds meer steunt op technologische middelen als detectie en patroonherkenningscamera’s. Niet omdat ze enkel zou verbieden, maar omdat deze technologieën een nieuwe omgeving of milieu scheppen die een eigen logica of normaliteit oproept. (2) In die omgeving normaliseert het leven zich niet meer volgens wetten of normen, maar door middel van protocollen. Hoe moeten we dat begrijpen?

 

‘Governance door veiligheid’: de vervanging van de wet en norm

In 2001 kreeg het bestuur van de stad Tampa in Florida de Big Brother Award voor “Worst Public Official” uitgereikt. Tijdens de Super Bowl wedstrijd tussen Baltimore en de New York Giants werden zoveel mogelijk gezichten van de 71.921 toeschouwers gescand, opgeslagen en vergeleken met die van criminelen, terroristen en fraudeurs in andere databestanden. In dat jaar gebruikte het stadsbestuur dezelfde videosurveillance om de veiligheid in het uitgaansgebied Ybor City te vergroten. Dat leidde niet alleen tot veel opgestoken middelvingers, ook bedekten de bezoekers hun gezichten met maskers, mutsen en capuchons. Dit in kaart brengen van de uitdrukkingen en expressies van ons gezicht geschiedt door universele standaards van identificatie. Deze standaards zijn vastgelegd in protocollen. Waar komen deze protocollen vandaan?
Protocollen zijn geen nieuw verschijnsel. Ze hebben een geschiedenis in instituten als het leger, de diplomatie en de gezondheidszorg. Daar dienen ze om correct gedrag binnen een systeem van vaste afspraken te produceren. Anders gezegd, ze zijn codes die een bepaalde etiquette voorschrijven van hoe te handelen. Dezelfde functie vervullen ze in de film Minority Report. Niet alleen moet John Anderton de namen van het slachtoffer en de dader voorlezen aan Pollard en James, de twee onafhankelijke ‘getuigen’. Bij het combineren van de digitale beelden van de ‘pre-cogs’ moet hij ook iedere tussencombinatie mondeling registreren tegenover een computer. We kunnen dit verhaal een draai geven door te verwijzen naar de interne standaards die aan informatienetwerken ten grondslag liggen. Zonder een gedeeld protocol kan er geen relationeel netwerk van technologische media bestaan. (3) Als het ware besturen protocollen de informatiearchitectuur van die media. Ze installeren een horizontaal systeem dat op vrijwillige basis zelfregulering tot stand brengt. Maar vanuit het perspectief van de criminaliteitsbestrijding is hun doorwerking in de openbare ruimte belangrijker. In de openbare ruimte vervangen ze namelijk de wet en norm als controlerend instrument.

 

Een protocollaire levensstijl

Om de controlerende functie van het protocol duidelijk te maken, moeten we realiseren dat protocollen niet neutraal zijn. Ze zijn nauw verbonden met een politieke en sociale productie. De politieke economie van een protocol is dat van modulering en controle. De stijl van identiteitsmanagement is het protocol. Het protocol oefent een politieke controle op het leven uit door universaliteit en homogeniteit te eisen van de personen die zich ophouden in de openbare ruimte. Het sluit dus verschillen uit. Het gevolg is een verstarring van de onderlinge verhoudingen. De effecten van het gebruik van bewakingstechnieken als videosurveillance zijn daarom veel ingrijpender dan we ons aanvankelijk realiseren. Eén van de grote vernieuwingen die deze machtstechniek meebrengt is dat ze de organisatiewijze van het openbare leven tot op het kleinste detail ‘bestuurt’. Protocollen brengen namelijk een normaliteit mee die zijn uitdrukking vindt in onzichtbare voorschriften. Ze creëren een omgeving waarin het dragen van zonnebrillen, honkbalcaps en hoofddoeken in de openbare ruimte wordt verboden. Daar liggen geen wetten of normen aan ten grondslag. Het zijn bovendien niet rechtsstatelijke of modieuze argumenten die deze verplichte kledingvoorschriften met zich meebrengen. De reden? Automatische gezichts- en geluidsdetectiesystemen zoals Computerised Face Recognition werken niet als onze gezichten bedekt zijn. Daarom verbood een Engelse rechter in het kader van de Anti Social Behaviour Order een bekende autodief om in het noordoosten van Engeland een wollen muts, honkbalpet of capuchon te dragen. Op deze wijze wilde de rechter voorkomen dat de man zijn gezicht afschermde voor de politie en bewakingscamera’s.
Criminaliteitsbestrijding wordt dus steeds meer uitgeoefend zonder een duidelijk aangegeven taak of limiet. Ze wordt geïmplementeerd door protocollen die het netwerk van videosurveillance vormen. Door een omgekeerde beweging wordt de relatie tussen politiek en leven dan gesloten. Het niet accepteren van een protocol heeft de uitsluiting uit de openbare ruimte tot gevolg. Maar wellicht zijn de gevolgen nog radicaler. We zouden dan kunnen zeggen dat degenen die niet meer kunnen worden geïdentificeerd, voor de wet strafbaar zijn. Niet voor niets wijst de Italiaanse filosoof Giorgio Agamben erop dat de aartsvijand van de staat de persoon is die niet identificeerbaar is. (4) De normale situatie wordt dan omgedraaid. De crimineel is de persoon die niet in kaart kan worden gebracht of ontbreekt in databestanden.

 

Het bestaan van minderheidsrapporten

In het geschetste veiligheidsdenken bestaat er dus geen wet of norm op de nood. De nood valt samen met een politiek die de nood creëert door de verbreiding en toepassing van technologische media die zichzelf legitimeren omdat ze impliciet een beroep doen op een toestand die zij zelf teweegbrengen. Is er een uitweg uit de impasse van deze noodtoestand? Voor een laatste keer keren we terug naar de film Minority Report. Het systeem van de drie paranormale media werkt feilloos, totdat agent John Anderton zelf door de ‘pre-cogs’ als toekomstig moordenaar wordt aangewezen. Als hij op onderzoek uitgaat, ontdekt hij dat de drie media niet altijd dezelfde beelden voortbrengen. Er blijken minderheidsrapporten te zijn die een andere toekomst laten zien. Hierin wordt een ander perspectief getoond dan in de meerderheidsrapporten. Ze wijzen op een afwijkende loop van gebeurtenissen. “We hebben nooit de toekomst gezien. Je hebt een keuze,” vertelt ‘pre-cog’ Agatha aan John Anderton. Herkennen we hierin een andere variant van dezelfde thematiek? De film wekt de indruk dat we te doen hebben met een filosofie waarin het worden een creatief proces van steeds nieuwe articulaties is. Daarin is de toekomst niet vastgelegd, maar open en onbeslist.
Beschikt óók de huidige rechtshandhaving over minderheidsrapporten? Anders gezegd, wat zou het geval zijn als er een minderheidsrapport is? Het bestaan van zo’n rapport zou een antwoord geven op de vraag hoe we aan de greep van het denken in het voorkomen van alle risico’s kunnen ontsnappen. In veel opzichten doet een minderheidsrapport denken aan het proces van differentiatie dat centraal staat in het werk van de Franse filosoof Gilles Deleuze. In zijn ‘logica van het leven’ draait het om de verhouding tussen het virtuele en het actuele. Het onderscheid tussen het virtuele en het actuele moet niet worden verward met de overgang van het mogelijke naar het werkelijke die ten grondslag ligt aan de werkingen van videosurveillance. In tegenstelling tot het mogelijke is het virtuele al werkelijk. “The virtual is fully real in so far as it is virtual,” stelt Deleuze. (5) Daarmee is het virtuele niet iets dat vooraf is gegeven. Dan zou virtueel de plaats van het begrip potentie uit de Aristotelische werkelijkheidsanalyse innemen. Bovendien wijkt het virtuele af van het mogelijke omdat het geen afbeelding is van het actuele. Virtualiteit en actualiteit zijn twee kanten van dezelfde medaille. In de relatie tussen het virtuele en het actuele ligt voor Deleuze de mogelijkheid tot creativiteit en een ‘ander’ leven. Het is de eventualiteit ervan die zich in de openheid van de interacties manifesteert en niet als een onontkoombare verwerkelijking van een gegeven potentie laat duiden. Als Deleuze de waarde van dat ‘andere’ leven wil aangeven, sluit hij dus het mechanistische wereldbeeld en de daarbij behorende identiteit van het hedendaagse veiligheidsdenken uit. Tegenover de homogene werkingen van protocollen kunnen we dan openheid en creativiteit plaatsen. En juist dat perspectief biedt het veiligheidsdenken een kans om in positieve termen over de sociale interacties in de openbare ruimte te denken. Want om de criminaliteitsproblematiek daadwerkelijk het hoofd te bieden is de structurele inbedding van technologie in de rechtshandhaving ontoereikend.

 

Noten:

(1) Zie ook M.B. Schuilenburg, ´De noodtoestand als regel. Cyberkritische reflecties over de openbare ruimte´, in: Justitiële Verkenningen, jrg. 30, nr. 8, 2004, p. 9 – 21
(2) Met een knipoog naar het boek ‘De Spektakelmaatschappij’ (1967) van Guy Debord kunnen we over de openbare ruimte stellen: “Wat verschijnt is veilig, wat veilig is verschijnt.”
(3) A. Galloway, ‘Protocol. How Control Exist after Decentralisation’, The MIT Press, Massachusetts, 2004, p. 12
(4) G. Agamben, The Coming Community, The University of Minnesota Press, Minneapolis, 2003, p. 87
(5) G. Deleuze, Difference and Repetition, London, The Athlone Press, 1994, p. 95

Top